Indonesische messing kandelaar met drie kaarsenhouders. Brede geringde voet met een doorsnede van 17 cm. De stam van beneden naar boven: omgekeerd peervormig, concaaf cilindrisch, oplopend in platte schijf, daarboven weer concaaf-cilindrisch, staand elliptisch en weer concaaf-cilindrisch, waarboven de gelede schroefbevestiging. Door de stam loopt een lange bout, zodat de voet van de stam te scheiden is. In de vertakkingen naar de twee buitenste schotels zijn twee klimmende leeuwtjes en profil naar het midden gegoten. Met hun lange tongen ondersteunen ze de middelste schotel. Onder deze schotel zit een driebladige bloem (misschien een lotusmotief). Het geheel van leeuwtjes, bandwerk en bloem is enigszin hoekig en onbeholpen gegoten. De drie schalen hebben een vlakke rand. De houders zijn tweemaal diabolovormig, waarboven een ring. Op de ring een cilinder, welke weer wordt afgesloten met een ring. Beide ringen zijn versierd met ingekraste ( ). Schalen zijn demontabel.