Dit stuk stelt de magistraat voor, zittende aan een lange tafel, met baljuw Willem van Outshoorn met een wijnglas aan het hoofd.
Dit zijn de namen van de toegesproken personen: Burgemeester Jacob Corneliszoon van Wouw, Johan Quartelaar, Govert van Duynen, schepenen Johan Wolff, Jacob Lirckszoon, Ewaldus Screvelszoon, Willem van Neck, Heyndrick Cheeuwen, Zeger der Maes, Johan Nobel en Joost Dedel, secretaris Philips Doublet, substituut-secretaris Huybert Zuidervliet, advocaat Pieter van Veen, opperbevelhebber Johan Smout. De Haagsche schutterij voerde jaarlijks, in de maand mei, een optocht uit. Eerst trokken ze langs de stadhouder en zijn gezin en daarna voorbij de magistraat. Hierna werden de officieren van de schutterij uitgenodigd om voor de magistraat te verschijnen. Hier hield de baljuw een aanspraak welke werd gevolgd met 'een frisschen roemer wijn.'
Het schilderij hing rond 1770 in de eetzaal.