Brandijzer met een rond handvat van hout met een ophangoog. Het handvat vertoont scheuren en is in het midden uitgesleten. Het handvat is met klinknagels bevestigd aan een ijzeren steel met ring. De steel is achtkantig en is zwart gelakt. Aan het uiteinde bevindt zich een vierkant brandmerk, bevestigd aan een massief ijzeren blokje zodat het langer heet blijft. Het merk bestaat uit twee naar elkaar toegekeerde gotische ‘Z’-en met daaronder het jaartal 1801.
Dit brandmerk verwijst naar de stad Zierikzee. In het Waerheydboeck der stede Zierikzee, met vonnissen uit 1541–1570, werden vonnissen soms met tekeningen verduidelijkt. Bij een vonnis van 27 februari 1563 is een grote gotische ‘Z’ afgebeeld als aanduiding van het te gebruiken merk. Vanaf 1608 verschijnen twee spiegelbeeldige Z-letters, een vorm die ook in 1656 voorkomt en overeenkomt met dit brandijzer.
Vóór 1811 gebruikte men vaak stads- of provinciewapens als merk, zoals dit brandijzer. Omdat veel steden vergelijkbare wapensymbolen gebruikten, zoals leeuwen, stelde de Code pénal (wetboek van strafrecht) van 1811 onder Napoleon Bonaparte vaste lettercombinaties als brandmerk vast.
Brandmerken werden gebruikt om veroordeelden blijvend te tekenen en herkenbaar te maken. Dit gebeurde met een gloeiend ijzer, meestal in het openbaar, en werd als straf vooral toegepast bij herhaalde diefstal en andere vormen van recidive. Aanvankelijk werden brandmerken op zichtbare plaatsen aangebracht, zoals het voorhoofd of de wang, maar vanaf het midden van de zestiende eeuw verplaatste men het merk steeds vaker naar de schouder of rug. Dit hing waarschijnlijk samen met het toenemende belang dat werd gehecht aan een terugkeer in de samenleving. In de negentiende eeuw nam de kritiek toe, waarna het brandmerken in 1848 werd afgeschaft. Het laatste brandmerk in Nederland werd op 14 januari van dat jaar aangebracht.
Als legaat van de gemeente Zierikzee na 1875 in de collectie van het Rijksmuseum De Gevangenpoort gekomen.