Brandijzer met een peervormig handvat van hout met een ophangoog. In het handvat zijn zowel boven als onder twee ringen gekerfd; bij de onderste ringen is het tussenliggende deel verdikt. Het handvat is vastgeklonken aan een ijzeren steel met een ring. De steel is rechthoekig van vorm, loopt licht taps toe en is zwart gelakt. Aan het uiteinde bevindt zich een vierkant brandmerk, geplaatst op een massief ijzeren blokje zodat het langer heet blijft. Het merk bestaat uit de letters ‘TF’.
Vóór 1811gebruikte men vaak stads- of provinciewapens als merk. Omdat veel steden vergelijkbare symbolen gebruikten, werden met de Code pénal (wetboek van strafrecht) onder Napoleon Bonaparte vaste lettercombinaties ingevoerd. De letters op dit brandijzer zijn daar een voorbeeld van. De letter T staat voor travaux, dwangarbeid voor bepaalde tijd. Bij vervalsingsmisdrijven werd daaraan de letter F toegevoegd, van faussaire (vervalser). Het brandmerk ‘TF’ duidt daarmee op een veroordeling tot dwangarbeid wegens vervalsing van geld of geschriften.
Brandmerken werden gebruikt om af te schrikken en veroordeelden blijvend te tekenen en herkenbaar te maken. Dit gebeurde met een gloeiend ijzer, meestal in het openbaar, en werd als vorm van bestraffing vooral toegepast bij herhaalde diefstal en andere vormen van recidive. Aanvankelijk werden brandmerken op zichtbare plaatsen aangebracht, zoals het voorhoofd of de wang, maar vanaf het midden van de zestiende eeuw verplaatste men het merk steeds vaker naar de schouder of rug. Dit hing waarschijnlijk samen met het toenemende belang van terugkeer in de samenleving. In de negentiende eeuw nam de kritiek toe, waarna het brandmerken in 1848 werd afgeschaft. Het laatste brandmerk in Nederland werd op 14 januari van dat jaar aangebracht.
Als schenking van het Paleis van Justitie te Leeuwarden in de collectie van het Rijksmuseum De Gevangenpoort gekomen.